Kleuter, Schoolkind, Tiener

Pesten of plagen? Wie bepaalt dat?

De week van 21 t/m 25 september is uitgeroepen tot de Landelijke week Tegen Pesten. Een uitnodiging aan iedereen – scholen, sportclubs, maar ook bso’s – om deze week aandacht te besteden aan hoe we pesten tegen kunnen gaan. Ook bij Partou staan we stil bij pesten en wat je er aan kunt doen.

Pesten komt overal voor. In elke klas, op de sportclub, in de buurt, maar ook op de bso. Kinderen van 6-7 jaar willen heel graag bij een groep horen en vergelijken zichzelf steeds meer met andere kinderen. Ze weten wie populair is, goed in sport en wie de titel ‘loser’ krijgt. Bij een bepaalde groep horen, wordt steeds meer bepaald door uiterlijke kenmerken. Merkkleding is hiervan een goed voorbeeld. Maar ook of je wel een bepaald tv-programma hebt gezien. Ook het besef van huidskleur en sociale klasse wordt groter.  

Pesten of plagen?
‘Stel je niet aan!’, ‘Het is maar een geintje’, ‘Je moet het niet zo serieus nemen!’. Het zal je maar gezegd worden als je spullen al weken zoek gemaakt worden. En vandaag ook weer. Als je zogenaamd per ongeluk op de gang pootje wordt gehaakt, waar iedereen ook nog eens hard om lacht. Het is niet de pester die bepaalt of het om pesten of plagen gaat. Dat bepaalt en voelt de ontvanger, niemand anders.

Groepsgedrag tijdens het vrij spelen
Tijdens het vrij spelen van kinderen, is er veel te zien en te leren over onderlinge verhoudingen tussen kinderen. Je ziet al snel wie de leiders zijn, wie er bij een groep hoort en wie er buiten valt. Kinderen die gepest worden, pik je er vaak al snel uit. Vaak zijn het de kinderen die de pauze in hun eentje doorbrengen. Hangende schouders, blik gericht op de grond en hopend dat de pauze snel voorbij is. Twee derde van de gepeste kinderen zegt dat het pesten op het schoolplein gebeurt. Logisch, want tijdens vrij spel is er minder toezicht.

Buitensluiten
Er zijn ook kinderen die zo graag mee willen doen maar niet goed weten hoe ze bij de groep kunnen aansluiten. Als voorbeeld nemen we Tim. Steeds mag Tim bij voorbaat al niet mee doen. Hij wordt snel boos, gaat irritant gedrag vertonen waardoor hij het spel verstoord. Daardoor krijgt Tim voor de zoveelste keer te horen dat hij een sukkel is, wordt hij hard weggeduwd en met de nek aangekeken door de groep. In plaats te zeggen: ‘Ja Tim, je lokt het zelf uit’, kun je Tim ook op een andere manier helpen. Dat doe je door hem tools te geven waarmee hij sociaal wenselijker gedrag kan laten zien. Hem helpen om op de juiste manier contact te maken met zijn leeftijdsgenoten. Dit doe je vooral door te benoemen wat er gebeurt en hoe het anders kan. Spreek ook de empathie van de andere kinderen aan: ‘He jongens, dat was misschien niet zo handig van Tim, maar hij wil heel graag meedoen. Toch Tim?’. 

De helper in de groep
In sommige gevallen is er een helper in de groep. Deze helper steunt het slachtoffer, komt voor een ander op en spreekt soms zelfs de pesters en meelopers aan op hun gedrag. Doorgaans zijn dit kinderen met veel zelfvertrouwen. Deze helpers hebben een belangrijke rol in de groep. Uit onderzoek blijkt namelijk naar mate het aantal kinderen dat negatief op het pestgedrag reageert toeneemt, het pestgedrag afneemt. En soms zelfs stopt. Des te meer helpers er in een groep aanwezig zijn, hoe beter het met het gepeste kind gaat. 

Cyberpesten en de risico’s van het internet
Kinderen die online anonieme en vervelende berichtjes sturen, ‘verkeerde’ foto’s  van een ander online zetten, het valt allemaal onder cyberpesten. Vooral jonge kinderen beseffen niet wat hun eigen internetgedrag voor langdurige gevolgen kan hebben. Hoe meer persoonlijke informatie kinderen online zetten, hoe vatbaarder ze worden voor negatieve ervaringen op het internet. Voor jou als opvoeder ligt hier de taak om je kind te begeleiden. Maak afspraken met hem/haar en praat over de positieve kanten van media, maar ook over de risico’s en gevaren.

Signalen die kunnen duiden op pestgedrag
Pesten vindt vaak plaats buiten jouw gezichtsveld. En kinderen die gepest worden, vinden dit vaak erg moeilijk om te vertellen. Als opvoeder kun je ook niet alles zien. Maak kinderen zoveel mogelijk duidelijk dat ze met elk probleem bij jou terecht kunnen, en dat je hen serieus neemt. Slachtoffers van pestgedrag: 

  •          spelen weinig met leeftijdsgenootjes, vaker met kleinere/jongere kinderen
  •          mogen vaak niet meedoen
  •          willen niet buitenspelen en blijven veel in de buurt van de pm’er/volwassene
  •          reageren extreem op ‘plagerijtjes’, hebben vaak een kleinerende bijnaam
  •          blijven bij het kiezen van teams vaak als laatste over
  •          hebben regelmatig blauwe plekken
  •          zijn vaak hun persoonlijke spullen kwijt doordat pesters deze verstoppen
  •          worden niet vaak uitgenodigd op feestjes
  •          willen niet graag naar school of bso (regelmatig last van buikpijn, bedplassen, angstig)
  •          hebben vaak een sub-assertieve lichaamshouding: hoofd naar beneden, in elkaar gedoken houding, moeite met aankijken
  •          hebben moeite met grenzen aangeven, moeite met ‘nee’ zeggen.

Ga altijd in gesprek met de medewerkers van de bso, school of sportclub van jouw kind als hij/zij er wordt gepest. Samen kunnen jullie bespreken hoe je het pesten gaat aanpakken.  Want de bso moet een plek zijn waar iedereen zich veilig voelt.

 

Print Friendly, PDF & Email
Delen? Graag: